GROESBEEK - Amerikaanse, Britse en Canadese soldaten hebben in de Tweede Wereldoorlog massaal geplunderd in Zuid-Gelderland. Dat blijkt uit het boek: "Bezet, bevrijd en geplunderd" dat op 16 januari verschijnt. Een ongemakkelijk verhaal dat na de oorlog weinig aandacht kreeg. Over de plunderingen is vanaf 17 januari ook een tentoonstelling te zien in het Vrijheidsmuseum in Groesbeek.

Dat er juist in Zuid-Gelderland massaal geroofd werd heeft volgens Paul Klinkenberg, een van de auteurs, vermoedelijk te maken met het mislukken van de operatie Market Garden. Nijmegen en de omliggende gemeenten komen in de frontlinie te liggen, worden een militaire zone waar tienduizenden militairen onder barre omstandigheden moeten leven. Bovendien is de burgerbevolking in een groot deel van het gebied geëvacueerd. Als ze na de oorlog thuiskomen ontdekken ze dat hun "bevrijders" de vingers niet hebben kunnen thuishouden. In de gemeenten Ubbergen, Millingen, Groesbeek, Mook en Middelaar, Ottersum en Gennep zijn vrijwel alle gebouwen leeggehaald. Fabrieken, hotels, banken, kloosters en kerken. Niets is veilig.

Inherent aan oorlog

Volgens Klinkenberg is plundering iets wat bijna onlosmakelijk bij oorlog hoort. Op 17 september, de eerste dag van Market Garden, wordt de gemeentekas van Overasselt leeggeroofd en terwijl Amerikaanse soldaten bij hun intocht In Nijmegen worden toegejuicht door inwoners zijn sommigen een straat verder al op zoek naar "bruikbare" spullen. 

Nul op het rekest

Als inwoners verhaal proberen te halen bij de autoriteiten krijgen ze vaak nul op het rekest: het zouden de Duitsers wel zijn en ook onder het eigen volk zouden rotte appels zitten. In het boek en de tentoonstelling wordt ingegaan op de vraag wat deze militairen bezielde en waarom er nauwelijks tegen hen werd opgetreden? Sommige militairen stalen goederen uit noodzaak, anderen uit zelfverrijking of simpelweg als ontlading. Na de oorlog kreeg plundering weinig aandacht, want dat paste niet in ons beeld van heroïsche bevrijders.